vrijdag 22 augustus 2014

Hoe leren mensen een nieuwe vaardigheid?

In het artikel “Recept voor een goede (praktijk)les” besprak ik een stappenplan dat je kunt gebruiken als je vaardigheden wilt onderwijzen. In dit artikel wil ik meer ingaan op de processen die een leerling doormaakt wanneer hij iets nieuws leert. 

Ik heb het artikel in de eerste plaats geschreven voor mensen die zich (al dan niet professioneel) met lesgeven bezig houden. Maar ook als je zelf een nieuwe vaardigheid aan het leren bent is het interessant. Zo hebben de inzichten die hier besproken zullen worden mij persoonlijk goed geholpen om meer geduld met mezelf te hebben als ik iets onder de knie probeerde te krijgen en het voor mijn gevoel niet snel genoeg ging. Dat kwam omdat ik beter begreep welke processen ik tijdens het leren doormaakte.

Ik moet hierbij wel zeggen dat geen van de hier besproken ideeën alles verklaren. Er zijn nog veel vragen rond het menselijk leervermogen nog niet opgehelderd. Toch geven de ideeën je inzicht in zeer fundamentele aspecten van het leervermogen en kunnen ze je helpen je lessen nog effectiever te maken. Om aanschouwelijk te maken hoe je de ideeën in de praktijk kunt toepassen, zal ik suggesties geven voor hoe je ze in een dansles kunt gebruiken. Ik doe dit omdat ik persoonlijk vrij veel ervaring heb met dit soort leersituaties. Maar ik hoop dat je zelf mogelijkheden ziet om de inzichten in andersoortige contexten toe te passen.

Voordat ik verder ga, wil ik erop wijzen dat de zintuigen een essentiële rol spelen bij het aanleren van nieuwe bewegingen. Naast de welbekende vijf zintuigen (gezichtsvermogen, gehoor, reuk-, smaak- en tastzin), heb je ook zintuigen die je informeren over je houding en de bewegingen die je maakt. Deze zintuigen worden proprioceptieve sensoren genoemd en ze zitten in je spieren, pezen, gewrichten en banden (proprioceptie betekent letterlijk "zelfwaarneming" in het Latijn.) Dankzij de proprioceptieve sensoren kun je ook in het donker of met je ogen dicht weten hoe je staat/zit/ligt en beweegt.

Vooral het gezichtsvermogen, de proprioceptie en het gehoor en zijn onmisbaar bij het leren van bewegingen.

Schematheorie (van R.A. Schmidt)
Terwijl de leerling de te leren beweging oefent, legt zijn brein verbanden tussen de signalen die het naar de spieren stuurt, de bewegingen die hierdoor veroorzaakt worden en de resultaten daarvan. Uiteindelijk ontdekt het brein een patroon in al die verbanden. De schematheorie gaat ervan uit dat de hersenen dit ontdekte patroon in de vorm van een “schema” opslaan. Dankzij dit schema weet het brein goed welk signalen het naar de spieren moet sturen om een bepaald doel te bereiken. 

Bovenstaande is misschien een beetje lastig voor te stellen, daarom zal ik het met een voorbeeld toelichten:

Stel je iemand voor die nog nooit heeft gedart. Wat gebeurt er als hij een eerste poging doet om de dartpijl precies in de roos te werpen? Zijn hersenen sturen dan een signaal naar de spieren van zijn werparm. Die komen hierop in actie, met als gevolg dat de dartpijl door de lucht suist. Tenzij hij beginnersgeluk heeft, zal hij de roos niet raken. Mogelijk belandt de pijl zelfs ergens naast het dartbord. Dit is natuurlijk niet het resultaat wat hij voor ogen had, maar toch heeft hij al absoluut van deze poging geleerd. Zijn hersenen krijgen namelijk feedback van zijn armspieren (door middel van de eerder genoemde proprioceptieve sensoren). Hierdoor weten zijn hersenen welke beweging door het gegeven signaal opgeroepen wordt. Daarbij ziet de persoon waar de dartpijl terecht is gekomen, waardoor zijn hersenen een link leggen tussen de gemaakte beweging en het verkregen resultaat. Dit is in onderstaand diagram weergegeven:



Bij de tweede poging zullen de hersenen van de persoon een iets ander signaal geven, met als gevolg een iets andere beweging en een ander resultaat. Het hele proces herhaalt zich, er wordt weer een link gelegd tussen signaal, beweging en resultaat. Elke poging geeft nieuwe informatie. Op een gegeven moment verandert er iets in zijn hersenen: het kwartje begint te vallen. Waren de eerste poging nog min of meer op goed geluk, nu wordt er met steeds grotere trefzekerheid gegooid. Er heeft zich een "schema" gevormd en hoe verfijnder en beter ontwikkeld dit schema is, hoe trefzekerder de persoon de dartpijl kan gooien.

Om een effectief schema te krijgen, zijn twee zaken belangrijk:
  1. De leerling moet gevarieerde oefensituaties aangeboden krijgen. Want hoe meer variatie in signalen, bewegingen en resultaten, hoe meer informatie het brein van de leerling krijgt om het schema mee op te bouwen. Hierdoor wordt het voor hem mogelijk om ook in onbekende situaties adequaat te reageren.
  2. De leerling moet duidelijke feedback op zijn handelen krijgen (zintuiglijke input en ook aanwijzingen van de instructeur).

Daarom is het voor kinderen zo goed om veel (buiten) te spelen; ze vormen hierdoor goed ontwikkelde schema's. Die schema's komen goed van pas in hun latere leven, als ze voor hun werk of sport bepaalde vaardigheden moeten leren. Ze hebben dan namelijk de mogelijkheden van hun lichaam goed leren kennen. 

Maar ook voor volwassenen werkt het goed om dingen spelenderwijs te leren. In een artikel op internet hebben Charles J. Palus, David Magellan Horth & Steadman Harrison het over "serious play". Ze zeggen dat beginnende kajakkers het meest effectief leren als ze in een relatief veilige setting kunnen experimenteren. Door dingen uit te proberen krijgen ze steeds meer feeling voor de dynamiek van snelstromend water. En doordat het een veilige setting is, zullen "fouten" geen ernstige en/of onherstelbare gevolgen hebben.

Hoe kun je de schematheorie in een dansles toepassen?
Je kunt de schematheorie toepassen door regelmatig "vrijdansmomenten" in te lassen en je leerlingen aan te moedigen te variëren en te experimenteren. Natuurlijk zijn er vrijdansavonden waar leerlingen heen kunnen gaan (en ook heen moeten gaan als ze snel vooruitgang willen boeken), maar het nadeel daarvan is dat als iets niet goed gaat, het heel moeilijk voor ze kan zijn om te achterhalen waar dat dan aan ligt en zichzelf vervolgens te verbeteren. Ook kan het zijn dat ze tegen de tijd dat ze gaan vrijdansen domweg zijn vergeten hoe een bepaald figuur ook al weer moet. In een vrijdansmoment in de les kun je als dansleraar met je leerlingen dansen en kun je ze aanwijzingen geven. En als ze het echt niet meer weten, kun je ze weer op weg helpen. Op die manier kunnen ze adequate schema's vormen en worden fouten snel gecorrigeerd.

Engramtheorie
Deze theorie zegt dat de leerling zich eerst een voorstelling maakt van hoe de ideale beweging eruit ziet en voelt. Deze bewegingsvoorstelling wordt in het geheugen opgeslagen en sensorisch engram genoemd (engram betekent "geheugenspoor"). Dat sensorische engram vormt zich door te kijken naar een demonstratie, te luisteren naar uitleg en eventueel passief door de instructeur te worden bewogen.

Dan gaat de leerling zelf oefenen en terwijl hij dat doet, vergelijken zijn hersenen de eigen bewegingspogingen voortdurend met dat sensorische engram (dit is dan dus het referentiemateriaal). Op die manier vormt zich een bewegingsprogramma, ook wel motorisch engram genoemd. Als het motorische engram helemaal klaar is, dan hoeft het niet meer met het sensorische engram vergeleken te worden, de beweging is nu helemaal ingeprogrammeerd en wordt automatisch goed uitgevoerd.


Het is belangrijk dat het sensorische engram vaak ververst wordt als men bezig is met het onder de knie krijgen van een beweging, want er sluipen anders slordigheden in (het referentiemateriaal deugt dan niet meer). Dit verklaart waarom een vaardigheid vaak plotseling beter gaat nadat men een expert in actie heeft gezien of gehoord. Een amateur-tennisser die naar Wimbledon heeft gekeken kan tot zijn vreugde merken dat zijn spel beter is geworden. Een musicus die naar een goed concert is geweest speelt ineens veel beter op zijn instrument. Blijkbaar is het sensorische engram wat bijgeschaafd, wat maakt dat ook het motorische engram erop vooruit gaat.

Hoe kun je de engramtheorie in een dansles toepassen?
De engramtheorie geeft aan dat het belangrijk is dat de leerling regelmatig het goede voorbeeld te zien krijgt. Het is dus goed om de aan te leren beweging regelmatig opnieuw te demonstreren. Daarbij kun je steeds weer andere aandachtspunten noemen.

Je kunt de leerling ook passief te bewegen, zodat hij het sensorische engram via de proprioceptieve sensoren kan aanmaken of bijwerken. Ik volgde ooit eens een bachata bootcamp van Jorge Elizondo. Hij hield ons één voor één bij de armen vast en bewoog ons heen en weer, zodat we rechtstreeks konden ervaren hoe de side-to-side ribcage movement moet aanvoelen. Dit heeft mij goed geholpen om me deze karakteristieke bachata-beweging eigen te maken.

De drie leerfasen
Het leren van een nieuwe vaardigheid kun je in grofweg drie fasen onderverdelen:
  1. Verkennende fase
  2. Oefenfase
  3. Automatische fase
In de verkennende fase (ook wel cognitieve fase) probeert de leerling te begrijpen wat de bedoeling is. De leerling vormt zich een idee van hoe de beweging in grote lijnen moet worden uitgevoerd. In deze fase is de leerling heel verstandelijk (cognitief) en vaak ook verbaal met de aan te leren beweging bezig. Dat verbale uit zich in het hardop of in stilte tegen zichzelf praten tijdens het leren begrijpen van de beweging.

Als de bedoeling eenmaal duidelijk is, begint de oefenfase. Zoals de naam het al zegt, wordt er in deze fase geoefend. De leerling is gaandeweg steeds minder cognitief en verbaal bezig en de bewegingen worden steeds vloeiender. In het begin is het voor de leerling nog moeilijk om te beoordelen of het goed of fout gaat, hij heeft daarvoor de aanwijzingen en feedback van de instructeur nodig. Aan het einde van de oefenfase voelt de leerling zelf aan of een poging goed of fout ging.

Uiteindelijk bereikt de leerling de automatische fase. De beweging kan dan zonder bewuste aandacht goed worden uitgevoerd. Hoewel de beweging nagenoeg perfect verloopt, zijn er aanwijzingen dat het zinvol is om toch door te blijven oefenen. Waarschijnlijk blijven de hersenen de schema's en engrammen verder versterken en bijschaven. Daarom kan het blijven door oefenen – terwijl je al in de automatische fase zit – ervoor zorgen dat je uiteindelijk ook onder druk goed kunt presteren. Je kunt hierbij bijvoorbeeld denken aan dansen voor een publiek.

Hoe kun je de drie leerfasen in een dansles toepassen?
De leerlingen moeten in eerste instantie snappen waar ze mee bezig zijn, dus help ze de figuren verstandelijk te begrijpen. In de salsa is het 6 Turn Pattern System (6-TPS) van Salsaventura wat dat betreft heel waardevol. In het 6-TPS worden zes basis draaipatronen onderscheiden, waarop het overgrote deel van de figuren in de salsa zijn gebaseerd. Met het 6-TPS in het achterhoofd is het voor de leerling veel makkelijker om complexere salsafiguren te begrijpen en te onthouden. Je kunt hier een YouTube video zien waarin het 6-TPS wordt uitgelegd.

Het is me opgevallen dat men nogal eens het idee heeft dat "nadenken" belemmerend is bij het leren van een nieuwe beweging en dat je het op gevoel moet doen. Dat is natuurlijk wel wat je uiteindelijk wilt bereiken, maar het zal nu wel duidelijk zijn dat bewust denken in het beginstadium essentieel is. Hierbij moet wel worden opgemerkt dat de ene leerling de verkennende fase veel sneller achter zich laat dan de andere. Sommigen zijn zo snel dat ze deze fase zelfs over lijken te slaan (al is het de vraag of dat ook echt zo is). Dit heeft voor een groot deel met natuurlijke aanleg te maken.

In de oefenfase speelt het geven van (corrigerende) aanwijzingen door de docent een grote rol, al zal dat naarmate de leerling vooruitgang boekt steeds minder nodig zijn. Ook in deze fase geldt dat de ene leerling er sneller door heen gaat dan de andere.

In de automatische fase komt het erop aan de leerling aan te moedigen te blijven doorgaan met oefenen – ook al beheerst hij de beweging nu volledig. Het regelmatig doornemen van de basisfiguren kan in dit kader heel waardevol zijn.

Samenvatting
In dit artikel heb je kunnen lezen dat:
De zintuigen spelen een essentiële rol bij het aanleren van een nieuwe beweging. Vooral het gezichtsvermogen, de proprioceptie en het gehoor zijn hierbij belangrijk.
Bij de schematheorie ontdekken de hersenen regels/principes over hoe vooropgezette bewegingsdoelen bereikt kunnen worden. Dit gebeurt doordat ze in een veelheid aan oefensituaties verbanden leggen tussen de afgegeven signalen, de uitgevoerde bewegingen en de verkregen resultaten. Uiteindelijk gaan de hersenen een patroon in al die verbanden ontdekken waardoor ze ook in onbekende situaties adequaat kunnen reageren.
Volgens de engramtheorie maakt de leerling eerst een sensorisch engram (= bewegingsvoorstelling) en vervolgens vergelijkt steeds zijn pogingen met deze voorstelling. Op basis hiervan ontwikkelt hij een motorisch engram (= bewegingsprogramma).
Het hele idee van de drie leerfasen is dat het leerproces in globaal drie stappen verloopt: 1) de verkennende fase, 2) de oefenfase en 3) de automatische fase. De snelheid waarmee de fasen doorlopen worden kan individueel sterk verschillen. Dit heeft voor een groot deel met natuurlijke aanleg te maken. 

Aanbevolen literatuur
Bovenstaande inzichten worden uitgebreid besproken in het boek “Van Contractie naar Actie” (ISBN 90 313 0694 0) van B. van Cranenburgh en Th. Mulder. Een absolute aanrader voor als je geïnteresseerd bent in de menselijke motoriek. Een ander goed boek is “Menselijke Motoriek” (ISBN 90 265 0806 9) van P.J.G. Keuss e.a. Tot slot wil het boek “Motoriek en Leerpsychologie” (ISBN 90 6076 362 9) van H.F. Pijning vermelden.

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen